Historisch verhaal

De Lichtenvoordse Kei (slöppers): 150 jaar

12 mei 1874: Het is feest in Lichtenvoorde; het 25-jarig koningschap van Willem 11 wordt gevierd. Daar is ook alle reden voor want er is die dag iets groots verricht. De zwerfkei die al sinds vele jaren in de Tongerlose heide lag. Is op initiatief van de schoenmakers naar het dorp gerold. Dit jaar dus precies 150 jaar geleden het leek mij leuk om eens in de archieven te duiken en alles eens netjes op papier te zetten van alle verhalen die tot nu toe de ronde gingen. Voor mij een mooie zoektocht om eens te kijken hoe het destijds nu werkelijk is gebeurd en wat eraan voorafging. Veel leesplezier. 

Benno van Lochem 

Er zullen maar weinig mensen zijn die erbij stil staan welke grote afstand de Lichtenvoordse kei heeft afgelegd, voordat die op de markt een bestemmingsplaats vond. Het was een lange moeizame reis. De granieten reus is afkomstig uit Zweden, en de ronde vorm heeft de steen gekregen door verwering en het schuiven over landijs. Zo wordt althans de reis beschreven door P. van der Lijn die in zijn keienboek de herkomst van deze reuzen beschrijft. Hoe geweldig de natuurkrachten in de ijstijd waren, bewijzen de massa’s ronde en afgeplatte keien voor de kust van de Oostzee. Bij ons zijn de granieten rotsen een zeldzaamheid geworden. Niet alleen omdat er vroeger veel zijn opgeruimd, maar ook omdat dit natuurgeweld in deze streken haar grens vond. Dat is ook de reden dat we verder naar het zuiden geen hunebedden meer vinden. Veel keien werden vroeger ook kapot geklopt en gebruikt als wegverharding. Zelfs prins Maurits kon deze zwerfblokken niet laten liggen en zond deze met proviandwagens naar zijn geleerden in Den Haag: goed beschouwd is hij dus een van de eerste Keienslöppers. Volgens een kaart uit 1865 vond onze grote steen zijn voorlaatste bestemming in de Tongerlose hei. De steen zou daar in de moerassige grond zijn weggezakt. Kadastraal is dit stuk grond bekend onder sectie D nr. 1585. Volgens het archief zou de steen in de Bekkendelle rechts van de Winterswijks weg in het buurtschap Vragender hebben gelegen. Om een juist beeld van deze streek te krijgen in die tijd moeten we bedenken dat de heidevlakte zich toen uitstrekte vanaf café Hogenkamp op het Veld tot aan de Vragender Esch. Dit hield in dat de Aaltenseweg, Tongerlosestraat en de Hekinckstraat één grote heidevlakte vormden. Dat de Lichtenvoordse kei daar tot een wegwijzer diende verhaalt Jan Antony Kolkman onderwijzer en historicus uit Zelhem, die in het midden van de vorige eeuw rond 1850 met de “gaostok” van Bredevoort naar Lichtenvoorde liep, en tijdens zijn reis hier verslag van maakte.  De eerste poging om de steen uit de Tongerlose heide te halen dateert uit 1817. Het verhaal wil dat de heer Theodorus baron de Smeth de kei naar zijn landgoed de Hartjesberg in Arnhem wilde brengen. Deze baron had in de loop der tijd verschillende landgoederen gekocht de Wildbaan, de landerijen van Jansbeek en de Hartjesberg om het geheel samen te voegen tot park Sonsbeek. De kei was daar bedoeld om te gebruiken onder de grote waterval die hij daar wilde aanleggen. Met zijn goede vriend Hendrik Jacob Carel Johan van Heeckeren van Enghuizen die het landgoed in 1821 van de baron zou overkopen werd een plan bedacht. Een speciaal voor dit doel geconstrueerde wagen die meer dan fl1000gulden had gekost zou het begeerde steentje worden vervoerd. Maar geen ketting bleek zwaar genoeg om de kei op de wagen te hijsen. De achttien meegereisde paarden kregen geen beweging in de steen de kettingen braken en de kei bleef waar hij was in de moerassige hei. Ook de Grollenaren trachtte enkele jaren later en poging om deze kolos uit de hei te halen. Volgens de legende lukt het heen de kei een stukje op weg te krijgen echter na enige tijd liep de steen opnieuw vast. Men kan dit niet echt serieus opvatten en lijkt gestoeld op ‘Grolse Wind”. Echter zou dit verhaal wel de reden zijn kunnen geweest dat Jan Antony Kolkman hem in 1850 als wegwijzer gezien heeft. Maar hoe is het ons Lichtenvoordenaren dan wel gelukt. 

Op Transport

Wel zeker is dat in 1874 een commissie ter gelegenheid van het 25-jarig koningschap van Willem de 111besluit om de kei naar de markt te slepen. Deze grote steen commissie bestaat uit de heren Adolph Arendsen, Jan Hendrik Krabbenborg, Johannes Bernardus Westerman, Johannes Bernardus Sterenborg, Gerrit jan Toebes en Antony Weijenborg. Ze krijgen wethouder Bernardus Sterenborg, eigenaar van het stuk grond zo ver de kei af te staan aan de commissie. Tevens krijgt Roelof Buijnink, timmerman de opdracht een eenvoudig transportmiddel en hefboom te maken om de steen uit het veen te krijgen. Hij schrijft hierover in zijn kasboek dat in de familie nog aanwezig is het volgende;                                                             

voor de commissie van de grooten steen gedateerd op 21 maart 1874

24 voeten ribhout voor leggers zwaar 4=8 duim’s                                                      28 voeten voor de sleppe          zwaar 8=8 duim’s                                                        20 voeten voor scheiden           zwaar 3=6 duim’s                                                        9 voeten voor scheiden              zwaar 6=6 duim’s                                                      14 voeten voor werkhout          zwaar 8=8 duim’s                                                        21 stuks leggers peppelen lang 5 voeten en zwaar 4=7 duim’s                                  90 voeten voor schalen en paaltjes.

Totale werkloon van Jan 2½dag en van Wilhelm 1 dag op 28 maart 1874 werd geleverd 105 voeten voor hefbomen en tegenleggers 15voeten 1duims planken voor de lierwagen spijkers, zeep, en olie en een vierde dag aan de wagen Werkloon Jan 5½ Wilhelm 5 en ik Roelof 5 dagen 

Kosten van dit geheel 103.33 gulden.

Aan de technische gegevens te zien en het aantal werkdagen en het aantal werkdagen moet het een hele klus zijn geweest en was de hefboom of lierwagen en zwaar uitgevoerd apparaat. Roelof werkte dus met twee knechten vijf dagen aan de wagen. De achternamen van Jan en Wilhlem worden helaas niet genoemd. Dat de grote steen ook daadwerkelijke op zijn bestemde plaats is terecht gekomen daarvan getuigt een proclamatie. Deze werd voor de gelegenheid geschreven door wethouder Bernardus Sterenborg. Opvallend is dat er in de hele akte geen melding is gemaakt van de 99 schoenmakers, die dit werk volgens de overlevering geklaard zouden hebben. Wel vragen de schoenmakers uit Lichtenvoorde in een verzoekschrift aan de gemeente om een beeld van hun patroonheilige Sint Crispinus op de steen te plaatsen. Het verzoek wordt op 18 december 1879 behandeld in de raadsvergadering. Daaruit zou je af kunnen leiden dat de beroepsgroep er zeker bij betrokken was. Ook in een lied voor de grote intocht worden de schoenmakers geroemd 

Lied van de grooten steen
Den steen der wijzen haast is gevonden
Jubelend vierde Lichtenvoorde s ’konings zilveren kroningsfeest
T’dorpjen is zoo als behoorde niet ten achteren geweest
Een gedenksteen op te richten was het lumineus idee om dit groots gevracht te verrichten werkte een ieder dapper
Kort bij t ’dorpje op een akker lag een kolossale steen
Daarom werkte een ieder dapper die naar dat lieve dorp heen
Negen en negentig schoenmakers namen aan dien arbeid deel
t’waren heeren die wel wisten als weinig helpt dan helpt ook veel
Welk een jubel welk een vreugde heerste toen in dat kleine nest
daar de steen uitmuntend deugde deed elkeen al gaarne zijn best
Daarom sleepte een ieder dapper bij dit grote steenslepersfeest
Daarom bleef er geen schoenlapper geen crispinist meer bij zijn leest
Vreugde straalde op de aangezichten van dees met pik bemorste lie’n
Men zag er geen voor den arbeid zuchten het was een lust om aan te zien
Allen tobden, zwoegden, zwetten, kosten onvermoeid
met een pikdraad en een keten had men den vasten reus geboeid.
Maar men had toch niet gerekend op de kolossale kracht
Van den reus die een uitstekend blijk van zijne sterkte gaf.
Hoe men schreeuwde hoe men jankte, op een hopeloze toon
T’was alsof de reus bedankte voor t’burgerrecht hem aangeboon
Het was alsof de eer hem niet bekoerde van te worden meegeteld van allen die te Lichtenvoorde op t’volksregister zijn gesteld.
Met burgers boeren heeren knechten die men daar als elders vindt
Met crispinisten goeden en slechten met grijsaards jongeling vrouw en kind Maar toch, hij wil zich gewonnen geven geen steen is er zoo verhard.
Dat hij door de patrijtse streeven van zoo veel crispinisten had
Hij wil de vreugde niet vergallen die Lichtenvoorde zich beloof.
Nu zich die goede burgers allen met hem zoo hebben afgesloofd.
Daarom liet hij zich gelaten gewillig slepen en gedwee door de Lichtenvoordse straten als een steentje van een pond of twee een daverende jubeltoonen stegen toen in de lucht van de Lichtenvoordse zonen even nog zoo zwaar gezucht
Maar plotseling werd die grootte vreugde door een vreselijk gehuil gestuit Want een pikdraad die niet deugde had men bij dit zwaar werk gebruikt. Eensklaps hoort men er een kraken een gillen en een vreemde zucht.
En alle crispinisten staken toen hun benen in de lucht Zie ze hoez’romm’lend tromm’lend vlogen, d’een na d’ander in de goot Gelukkig dat we zeggen mogen ; geen Crispien vond de dood. Spoedig voorwaarts ging de pektrein door geen rampspoed meer belet. Zodat ie weldra op het marktplein op zijn voetstuk werd gezet.

 

Tot zo ver het lied van de grote steen. Wat opmerkelijke feiten kunnen we uit dit lied dat toentertijd werd geschreven opmaken. Er waren wel degelijk schoenmakers betrokken bij het ophalen van de kei uit de Tongerlose heide. En dat er tijdens de tocht een ongeluk plaats vond waarbij een ketting het begaf gelukkig zonder dodelijk afloop. Dat er een groot volksfeest op die dag is geweest mag duidelijk zijn. Want in 1878 stuurt Roelof Buijnink aan de heer Bernardus Sterenborg een rekening met de sommatie te betalen, en die luidt als volgt;   

Aan den heer B. Sterenborg als hooft en voorzitter der feestcommissie van t’fladderschieten (vogelschieten) op den 12 mei 1874 te Lichtenvoorde aan R. Buijnink depet Voor geleverd hout 3.80, vier dagen werkloom 3.60 voorschot aan H. Wamelink voor 40 stuks schijtjes 1.20 tezamen een bedrag van 8.60 Tevens met beleeft verzoek bovenstaande gelden mij spoedig te doen overmaken. Waarneer hiervoor niet ten eersten voldaan wordt zal ik verplicht zijn ze langs regterlijke weg te doen invorderen. Ik vermeen lang genoeg gewacht te hebben in afwachting R Buijnink.In een antwoord hierop stuurt Sterenborg het volgende schrijven, dat ook te vinden is in het klantenboek van Buijnink. In ben zo vrij te bemerken dat ik nog hoofd nog voorzitter was der commissie. Maar dat de burgermeester als zodanig benoemd was voor alle verschillende onderafdelingen. Zodat ik mij daarvoor niet persoonlijk aansprakelijk reken.

Toch een vervelend slot voor zo’n groot opgezette actie, vooral voor Roelof Buijnink. Of de rekening ooit betaald is vermeldt de historie niet. Wel is bekend dat de schacht voor het vogelschieten in 1875 werd gebruikt door de Lichtenvoordse Schutterij de compagnie van Berend Veenhuis uitbater van café de Kikvorsch aan de driehoek.   

De eerste Keienslöppers

Wie waren nu eindelijk die leden van de grote steencommissie? Ofwel de eerste Keienenslöppers. Om met Roelof Buijnink te beginnen: hij leefde van 1824 tot 1907 en was letterlijk een groot man. Van beroep was hij aannemer, timmerman, wegenbouwer, tienderenschatter van kroondomeinen en kerkvoogd. Buijnink was de uitvoerder van de grintweg tussen Eibergen en Groenlo en verkocht onder meer in 1875 als bemiddelaar(makelaar) het oude bouwvallige kasteel Harreveld aan de Duitse Franciscanen. Hij heeft het huis voor de paters inde loop der jaren hersteld en verbouwd tot een klooster. En zoals vermeld maakte hij het transport-hefmiddel om de 20 ton wegende steen uit de kuil te heffen. Buijnink woonde in de Rentenierstraat (nu kapper Jansen) en was getrouwd met Wilhelmina Voltman. Op latere leeftijd werd hij raadslid en drager van de koninklijke onderscheiding in zilver. Bernardus Sterenborg die betiteld werd door Buijnink als zijnde de voorzitter van de commissie kwam uit het Duitse Werth bij Isselborg. Hij stamde uit een bekende molenaarsfamilie. Door het huwelijk met Aleida Margareta Wijnveld werd hij eigenaar van herberg de Reizende Man die midden op de markt stond en later plaats moest maken op de Markt te realiseren. Sterenborg was eigenaar van het stuk heide waar de steen lag en wethouder volgens de produ. Adolph Arentsen geboren in Varsseveld kwam door het huwelijk met Johanna Christina Vriezen in bezit van de rosoliemolen die op het Hof stond. Tevens was hij raadslid in de gemeenteraad. Jan Hendrik Krabbenborg ook gemeenteraadslid bewoonde de Maneschijn in Zieuwent. De overlevering wil dat de gebinten van de Maoneschien bij het licht van de maan opgezet en uitgericht waren; geen onredelijke verklaring. Dan was daar nog Johannes Bernardus Westerman logementhouder van Hotel Westerman op de Markt. Naast het hotel in de korte Rapenburgsestraat had men stallen voor de paarden van de omnibus de voorloper van de trein. Johannes Bernardus Sterenborg, geen familie van de al reeds genoemde Sterenborg woonde in de korte Rapenburgsestraat waar hij een winkel had in koloniale waren. Hij had een bijnaam Batten Sterenborg genaamd en had ook een koffiebranderij. De grote onbekende was Gerrit Jan Toebes uit Harreveld na allerwaarschijnlijkheid ook raadslid in die tijd. Tot slot het laatste lid van de commissie Antony Weyenborg werd geboren in 1832 en was kastelein en logementhouder van hotel de Koppelpaarden. Zijn vader werd in 1787 al genoemd als kastelein. Uit een briefhoofd uit 1912 zou het hotel al bestaan hebben in 1719 in die tijd werd door de toenmalige eigenaar een dodenregister bijgehouden waarin nauwkeurig werd opgetekend wie door welke dragers begraven werd. En wat hun de dragers aan drank die dag hadden genuttigd. Van 1719 tot 1915 was de Koppelpaarden eigendom van de familie Weyenborg.

 

De Leeuw

Net zo belangrijk als de steen is ook de geschiedenis van de leeuw erboven op. Al vanaf 1874 tracht de gemeente de zwerfkei in een gemeentewapen te krijgen, althans zo staat het vermeld in de geschreven proclamtie van wethouder Sterenborg. Op 18-12-1879 schrijven enkele schoenmakers waarvan de naam niet bekend zijn een verzoekschrift aan de gemeente, om toestemming te krijgen voor het plaatsen van hun patroonheilige St Crispinus op de kei. Zij waren het wachten zat en wilden hun actie bezegeld zien met dit eerbetoon.  Maar de raad zag hiervan af aangezien dit in strijd was met hun ideeën over een gemeentewapen. Als uitleg gaven zij op dat er ook vele protestanten schoenmakers waren, en die zou men kwetsen als men een beeld van de (uiteraard katholieke) beschermheilige zou plaatsen. In 1882 laat Bernardus Sterenborg het gemeentebestuur weten dat er in Deventer voor 50 gulden een leeuw te koop is. De leeuw een liggend exemplaar wordt aangekocht en er op geplaats. Het tafereel is compleet; een koningssteen met een leeuw erop wat wil je nog meer. Dat moet het Lichtenvoordse gemeentewapen worden. Maar de hoge raad van adel wijst het af. Te veel koninklijke trekken oordeelt men, het moet meer te maken hebben met het dorp zelf.   

             

Een foto uit 1890 op de markt rechts zien we nog net hotel-café de Reizende Man eigendom van B.Sterenborg.Tijdens de Franse revolutie waren hier bijeenkomsten tegen de Franse overheersing.Het ging er zelfs heet aan toe want de patriot Reesink werd er vermoord.Links op de foto zien we met witte schot Mientje Lueb- Kothuis Duidelijk te zien de eerste leeuw een liggend excemplaar Verder de panden op de achtergrond rechts Kuupers Manus Hulshof,en links doktor  te Welscher die net als zijn vader hier zijn praktijk had

In 1890 wordt opnieuw een serieuze aanvraag ingediend, dit keer wordt J.M.Lion uit Den Haag erbij gehaald. Hij is wapenschilder van de hoge raad van adel Lion stelt voor om het wapen samen te stellen uit het geslacht Bronkhorst denkend aan het kasteel dat Gijsbert van Bronkhorst in 1277 in Lichtenvoorde liet bouwen. Het wapen wordt verdeeld in twee helften; een toren dat aan het kasteel herinnert en met goud getooide genagelde en gekroonde zilveren leeuw. Na driemaal een request te hebben ingediend wordt bij Koninklijk besluit op 12-9-1891 het gemeentewapen toegekend. Op 1 januari 2005 werden de gemeenten Groenlo en Lichtenvoorde samengevoegd. De Hoge Raad van Adel ontwierp voor de nieuwe gemeente een nieuw wapen. Daarbij werden de wapens van beide plaatsen verenigd in één wapen; de

Leeuw uit het wapen van Bronckhorst werd achterwege gelaten. De gemeenteraad en de oudheidkundige verenigingen hebben ingestemd met het ontwerp. Bij Koninklijk Besluit werd op 15 december 2005 het wapen verleend. Het wapen van Oost Gelre is het wapen van de gemeente Oost Gelre, bestaande uit een gedeeld schild met links de burcht van Lichtenvoorde en rechts de leeuw van Groenlo. De beschrijving luidt:

“Links, in goud een burcht met vier kantelen van geel, geopend van het veld, door langwerpige, twee aan twee geplaatste vensters verlicht van sabel en gevoegd van hetzelfde. Rechts, in azuur (blauw) een leeuw van goud.” 

[invoegen wapens Lichtenvoorde/Groenlo/OostGelre)

We keren terug na het Koninklijk besluit van 12-9-1891 hoe laat je de bevolking zien dat je een gemeentewapen hebt. Door middel van een leeuw die het wapenschild vasthoudt op de Lichtenvoordse kei. Deze Zittende leeuw werd in 1897 vervaardigd uit kunstzandsteen door de firma Bernbach te Uerdingen Op 11 mei 1897 meldt de stationschef te Winterswijk is gearriveerd een colli inhoudend een stenen leeuw van kunstzandsteen ter waarde van 180 Duitse mark. De vrachtkosten bedroegen fl5.90 en werden diezelfde dag nog voldaan. 

Het gewicht van onze Kei

Volgens de legende en de plaquette onder bij de steen zou de kei 20.000kg moeten wegen. Door de jaren heen werd aan dit gewicht meermaals getwijfeld. Op 12 september 1937 wordt bij de grote steen sterrit (die destijds werd gehouden tijdens de kermis) door drie deskundige afzonderlijk de steen op zijn gewicht geschat. Het gemiddelde van die opgave werd vastgesteld op 12.052 kg. Tijdens de viering van het 80jaar bestaan van de Lichtenvoordse kei liet burgermeester F.J.Waals op 10 februari 1954 de steen door de dienst van gemeentewerken hem nauwkeurig opmeten. Zo kon worden vastgesteld dat de inhoud 4,25m3 bedroeg en de zwaarte van de kei op 12.000kg werd geschat. Het is ook in datzelfde jaar dat de markt opnieuw werd ingericht. De bomen werden omgehakt, de stangen van de veemarkt en de oude tramrails verwijderd. Door dat op de markt een parkeerplaats werd gemaakt werden straten en trottoirs verbreed. De kei zou volgens de regels van verkeer verplaatst moeten worden echter het verzet van de bevolking om hem te verplaatsen was zo groot dat men de kei liet liggen, met het gevolg dat het voetstuk op de rijweg begaf           

 

Het verval

Op 20 november 1962 vinden we een opmerkelijk bericht in het gemeentearchief over de toestand van de kei. Daar de kei met de leeuw op de markt in een miserabele toestand verkeert meen ik uw college op het volgende attent te moeten maken. De steen begint naar een zijde over te hellen, daar de steenfundering voet weg zakt en aan de achterzijde is een puntstuk afgebroken. De leeuw is behoorlijk gehaverd, o.a.is de onderkaak geheel afgebroken, de beide poten met het wapen welke al eerder gerepareerd is zijn los gescheur. Reparatie is mijns inziens niet mogelijk. De beschadigingen aan de leeuw is veroorzaakt door het spelen van de kinderen op de steen en de vorst. Aangezien deze kei voor Lichtenvoorde een historisch stuk is wil ik uw college adviseren de leeuw voorlopig wat bij te werken zover dit mogelijk is. Verder zal een mogelijkheid gezocht moeten worden het spel van de kinderen op de steen te verhinderen. Hetzij met politietoezicht of door plaatsing van een hekwerk. Op de begrotingspost van 1964 zou dan misschien opgenomen kunnen worden een gehele restauratie van de fundering en vernieuwing van de leeuw, met eventueel verplaatsing van de steen. Tot zover het verslag van hoofd gemeentewerken M.H.A.Paashuis. Lang duurt het niet of er volgt een volgende smeekbede op 20 september 1963 ditmaal van de technische ambtenaar J.M.Baart. Hij schrijft aan het college: tijdens de afgelopen kermis is onze leeuw op de Koningssteen zwaar uit de strijd gekomen. Vernielzuchtige jeugd hebben het beestje zo toegetakeld dat hij niet meer de repareren is. Geadviseerd wordt een nieuw exemplaar te laten vervaardigen eventueel met een plaatselijke kunstenaar. En de oude leeuw zo snel mogelijk te laten verwijderen aangezien de meeste voorbijgangers om dit aanzicht moeten lachen. In de brief wordt de naam van kunstenaar Joop Kruip genoemd. Echter in een antwoord op de brief van Baart spreekt de burgermeester zijn afkeur uit over het feit dat er zonder hem is gesproken met de kunstenaar. Wel geeft de burgermeester gemeentewerken de opdracht de overgebleven resten van de leeuw te verwijderen. Hij beland in de gemeentewerf met als doel om op een later tijdstip vernietigd te worden. De carnavalsvereniging de Knunnekes uit Groenlo weten in 1963 al gelijk een leuke stunt uit te halen met de kale kei. Er werd gezocht naar een alternatieve viervoeter die de plaats van de koning der dieren zou kunnen innemen op de kei. En er werd gekozen voor een varken.

 

Maar daarmee was de ellende nog niet over voor de onttroonde koning van de kei. Enkele leden van het Grolse koor Inter Nos hadden zich bedacht dat het beestje wel mee kon doen in de kermisoptocht van 1965. Er werd via via een sleutel geritseld die toegang bod aan de loods waar de leeuw was ondergebracht. Er was in die tijd een vlink discussie gaande waar het nieuwe streekziekenhuis moest komen dan wel in Groenlo of misschien in Lichtenvoorde. Het koor bedacht zich in ieder geval uit dat de Lichtenvoordse Leeuw wel eens één van de eerste patiënt kon zijn, die zou worden opgeknapt in het nieuwe streekziekenhuis in Groenlo. De leeuw deed vervolgens mee in de optocht en behaalde een verdienstelijke 6de plaats. De verwachte ophef vanuit Lichtenvoorde bleef uit, wat door de heren van Inter Nos ten zeerste betreurd werd. Vandaar dat het beestje na enige tijd netjes bij de gemeenteloods werd afgeleverd.

 

Maar nog is de martelgang van onze tweede leeuw (1897-1963) niet ten einde uiteindelijk zijn het onze eigen kanonrovers Joop Kruip, Leo Paashuis en Jos Dusseldorp die het beestje de genadeklap geven. Ze hadden het gehavende exemplaar uit de gemeente loods gehaald voor zoals hun zeiden een frisse opknap beurt. Het was 1967 precies 10 jaar naar de kanon’s roof en dit wilden de heren op hun manier wel even laten weten aan die Grolsen. Het drietal gaf het dier een oranje kleurtje en voerde de koning der dieren mee naar Groenlo. Daar werd het standbeeld geplaats voor de oude Calixtuskerk op het pleintje voor het stadshuis. De tekst was onder het motto ‘Jullie komt hem toch niet halen, wie brengt hem wal ’ondertekend de Glimwörmkes. De leeuw heeft er een dag gestaan en is in de eerste nacht al geroofd door de carnavalsvereniging jongeren Kontakt uit Didam. Op allerlei manieren probeerde men de Grollenaren en de Keienslöppers in beweging te krijgen voor een actie. Echter zonder succes nadat het vijf jaar bij de Didammer Krosse in de schuur had gestaan belandde het beestje op de puinhoop. Een triest einde voor de Koning der dieren maar vooral Lichtenvoords trots.

De derde Leeuw

Drie jaar lang blijft de steen onbezet met alle ellende van dien. Na het verwijderen van de leeuw blijkt dat de fundatie onder de kei in zeer slechte staat te zijn. Alleen dit grapje kostte, inclusief het verplaatsen van de steen om het metselwerk en de fundering te realiseren de gemeente fl3000 gulden. Vandaar dat de gemeente ook wat terughoudend was met het realiseren van een nieuwe leeuw. Men hoopte op een actie vanuit de bevolking echter ook die liet op zich wachten. In augustus 1965 werd op initiatief van de V.V.V een comite samengesteld om een inzamelingsactie te starten, die uiteindelijk een bedrag van 2700 gulden opleverde. Niet genoeg voor de nieuwe leeuw maar aan het beeldhouwwerk werd door kunstenaar Emiel Erbert (42jaar) uit het Duitse grensstadje Stenern toch een begin gemaakt. De beeldhouwer nam in elk geval het risico en begon aan zijn werk. De nieuwe leeuw die voortaan op de grote kei zal prijken onderscheidt zich in verschillende opzichten van zijn voorganger. Het gewicht is 1½ ton vervaardigd uit Belgische steensoort evijlle. Het is weliswaar weer een rechtop zittende leeuw geworden, maar groter 1.80 meter. Met de linkerpoot houdt hij het wapenschild vast en met de rechter maakt hij een afwerend gebaar. De hele houding is agressiever, het is alsof de leeuw de toeschouwers een ernstige waarschuwing toebrult; waag het niet aan Lichtenvoorde te komen! Toen het beeldhouwwerk in Lichtenvoorde arriveerde was het nog niet geheel klaar. De rechtervoorpoot was nog met het schild verbonden en ook de tanden in de bek moest nog wat gefatsoeneerd worden. Dit was met opzet door de kunstenaar gedaan om de kans op beschadiging tijdens het vervoer en plaatsing zo gering mogelijk te houden. De finishing touch kreeg het beeld toen het op de kei was geplaatst. Op 13-10-1966 werd onder leiding van B.L.A.M. Veldman van de plaatselijke V.V.V, de grote initiatiefnemer, Paul Paasschens en de beeldhouwer het anderhalve ton wegende gevaarte onthuld. Met koninklijke fierheid ziet hij uit over de markt. Het zal tot 1996 duren voor het dier van zijn troon gestoten wordt. 

 

De Leeuwentemmers

Waar Lichtenvoorde in 1957 maar drie man voor nodig had om het kanon te stellen hadden die Grolsen maar liefst zeven man nodig om onze leeuw van zijn troon te krijgen. De namen van deze heren is daarom ook niet belangrijk. De13 februari 1996 kan gezien worden als een zwarte bladzijde in de historie van de Lichtenvoordse Leeuw. Om 06.00 uur in de morgen weten de Leeuwentemers zoals ze zich voortaan, noemen de leeuw te roven en naar Grolle te vervoeren. Daar zou het beestje de carnaval opvrolijken. Wat die leeuwentemmers wel voor ons hebben gedaan is hem officieel te wegen op de weegbrug van Rouwmaat 1.520kg. Uiteraard hebben wij keienslöppers het er niet bij laten zitten en met veel militair machtsvertoon is de leeuw weer veilig terug gekeerd. Meer woorden wil ik aan dit voorval niet aan vuil maken, aangezien het hele verhaal te lezen is in het boek Pas op de buren over de rivaliteit tussen Lichtenvoorde en Groenlo. Nog eenmaal werd de kei met leeuw verplaatst dit gebeurde tijdens de herinrichting van de Markt in 2009. Het gevaarte werd tijdelijk opgeslagen in de gemeenteloods daar greep Jan Kruip (kunstenaar van beroep) zijn kans om een replica van de steen te maken. Eerst werd de steen in dun folie verpakt waarna er een laag polyester overheen kwam. Toen dit hard was heeft hij het polyester omhulsel er voorzichtig afgehaald en de mal weer vol gespoten met pur. De bedoeling was om er 10 te maken en die rond te zetten rondom Lichtenvoorde eenieder met een eigen unieke kleur. Zo zou een elf keien route ontstaan inclusief de echte kei op de markt. Echter het liep allemaal niet zoals Jan Kruip had uitgedacht. Lang bleef de replica kei onopgemerkt in een schuur achter slot en grendel tot 2017 het volgende in de krant te lezen was.

 

GROENLO – Vanochtend, vrijdag 11 augustus, zien oplettende Grollenaren iets vreemds drijven in de Grolse gracht. Bij nader inzien gaat het niet om een stuk vuil maar om de beroemde kei uit Lichtenvoorde. Bij de media komt het volgende bericht binnen: “Het is alweer enkele jaren geleden dat Lichtenvoorde en Groenlo tijdens het Buurtfeest de strijdbijl hebben begraven en vrede hebben getekend. Inmiddels zijn het dorp en het stadje door de herindeling één gemeente geworden. Omdat het dit jaar 60 jaar geleden is dat Lichtenvoorde Groenlo heeft opgezadeld met een nimmer te verwerken frustratie – ook het ontvoeren van de leeuw een aantal jaren geleden was slechts een luttele poging de pijn te verzachten – vonden wij dat we de Grollenaren dan maar te hulp moesten schieten!! Hoewel er in het verleden vast plannen zijn geweest om zich op Lichtenvoorde te revancheren en de Kei weg te slepen, is de Grollenaren nooit gelukt. Ter ere van het jubileum hebben wij gemeend hen nu van deze frustratie te moeten en kunnen bevrijden door ‘onze Kei’ een week in de gracht te laten dobberen ter ere en vermaak van iedereen en in de hoop dat de vrede tussen Lichtenvoorde en Groenlo eeuwig moge duren. Met hartelijke groet uit Lichtenvoorde, Jan K., Eddie D. en Robert P. (zonen van).”Op een bord langs de gracht, voor iedereen zicht- en leesbaar staat geschreven: ’60 jaar Grols kanon ontvreemd’. De tekst wordt begeleid door tal van foto’s van het huzarenstukje van 60 jaar geleden toen op 11 augustus (dezelfde datum als vandaag) het Grolse kanon door een stel Lichtenvoordenaren werd weggeroofd.

 

De geschiedenis
Het is ruim 21 jaar geleden dat de Grolse Leeuwentemmers, als reactie op de roof van het kanon, geschiedenis schreven door de loodzware leeuw van de kei in de Lichtenvoorde te roven en naar Groenlo te halen. Pas na langdurige onderhandelingen en betaling van losgeld aan de Groenlose gijzelaars, gaat de leeuw met tegenzin terug naar zijn dorp. Lange tijd was het rustig tussen Lichtenvoorde en Groenlo maar nu, vlak voor de Grolse kermis en in het seizoen waarin carnavalsvereniging De Knunnekes 55 jaar bestaat, laat Lichtenvoorde van zich horen. De namen Jan K., Eddie D. en Robert P. wijzen op de namen Kruip, Dusseldorp en Paashuis. Hun vaders (Joop Kruip, Jos Dusseldorp en Leo Paashuis) waren verantwoordelijk voor de roof van het kanon. Dat was overigens weer een reactie op de diefstal van de kermisvogel van Lichtenvoorde door Grollenaren Teetje Nales, Toon Nieuwenhuis, Frans Rouwhorst en Theo te Vogt. Dader Jan Kruip (64) reageert als volgt: “Ik zat al op jullie telefoontje te wachten. Het is nu 60 jaar geleden en we willen elkaar blijven prikkelen. Een jaar geleden wist ik dat het eraan zat te komen. Ik dacht ‘we moeten die Grolsen eens te pakken nemen en die de kei op de gracht leggen’. Dat komt nu heel mooi samen met deze datum, het krijgt nu een extra lading. Het is jullie nooit gelukt om de kei te stelen, dat hebben jullie altijd stiekem al gewild. De leeuw lukte wel maar de kei niet. In het kader van het burenfeest (2000) en strijdbijl begraven, willen we bij jullie de frustratie dat jullie onze kei niet kunnen krijgen, weghalen. Daarom mag de kei een week bij jullie ronddobberen. In principe zeggen we tot de kermis omdat er met de kermis geen kei te zien is bij jullie. Misschien blijft ie wel langer liggen. Jullie hebben al blauwalg en nu ook nog een kei. Wat wil jullie nog meer?” Kruip vertelt dat hij en zijn twee ‘mede-nazaten’ van de legendarische kanonrovers de kei heeft geplaatst. “Ook een paar andere jongens hebben geholpen. Dit is een mooi eerbetoon aan onze vaders die helaas alle drie al overleden zijn. Het is een haat-liefde verhouding met Grolle. Ik heb het meegemaakt destijds en de optocht voor ons huis met kanon langs zien trekken. Mijn vader was natuurlijk een held maar zei er niet veel over. Pas met de optocht zag ik opeens mijn vader op het kanon zag zitten. Toen mijn vader op dat kanon langskwam herkende ik het kanon, ik kwam vroeger veel bij onze familie Koopmans en we speelden dan altijd bij het kanon. Je voelde gewoon dat het iets heel bijzonders was en ik ben erbij geweest. Het was een veelbesproken item aan de keukentafel bij ons. Het kanon stond toen ook bij ons in de schuur verstopt Jan en zijn kameraden stelden vooraf niemand op de hoogte van de actie van vandaag. “Niemand wist er iets van. Vannacht zijn we met een bootje de gracht opgegaan, dat was om 5:00 uur en om 06:00 uur waren we weer thuis. Alles was helemaal voorbereid, we zijn regelmatig op de wal geweest om te bekijken want er komt veel bij kijken.” Jan krijgt vandaag veel reacties. “De Gelderlander belde al en veel telefoontjes en mail. Ik ben nog niet in het dorp geweest. Vanmiddag ga ik naar het café en dan zal ik het wel horen. Ik zag wel een foto van de leeuw die op de grond staat. Ik heb zelf geen facebook maar hoorde al wel dat het rondgaat. Hier beneden staan wel een paar duizend Grollenaren te schreeuwen, haha! We wachten rustig af wat de Grolsen nu gaan doen. De mensen hebben in deze barre tijden iets nodig om over te praten, dat regelen wij graag voor jullie. Als jullie Grolsen denken dat ze ook iets voor ons moeten doen dan prima, wij zijn niet bang! We blijven gezworen vijanden en goede vrienden. De hartelijke groeten aan iedereen in Groenlo die Lichtenvoorde een warm hart toedraagt

 

Lang blijft het stil in Groenlo zou de Grolse wind dan eindelijk getemperd zijn, zou die bravoure van die Grollenaren vervlogen zijn. Het antwoord op de actie van de drie keienslöppers laat drie maand op zich wachten dan opeens volgt opnieuw een kranten bericht. Op 10 november is het uit met de pret van de Lichtenvoordenaren. De Lichtenvoordse kei is verdwenen uit de gracht in Groenlo. Het is onduidelijk de van polyester vervaardigde replica van de kei is gebleven. Jan Kruip bedenker en makker van de replica vermoed dat het hier om een carnavals grap gaat aangezien het morgen de 11 van de 11 is. Hij hield al rekening met een ludieke actie en kreeg daarvan enkele dagen geleden reeds een brief van. Deze brief eindigde met de volgende woorden. “Voor u een vraag woar dat ding steet, houd dat ding de volgende keer in ow eigen keet! Ondertekend met de groeten van ons. Jan Kruip denkt eraan om aangifte. Wat volgt is een dagvaarding aan het adres van de drie roverszonen op 11 februari om 11over 11 in het brouwhuys, De Lange Gang. De uitspraak van de rechtbank luidde als volgt: de drie hoofdverdachten Jan K, Eddy D en Robert P werden veroordeeld tot deelname aan de carnavalsoptocht met hun eigen replica kei. De handlangers van Grolse komaf Jeroen D en Remco B moesten in een Longa shirt achter de kei aan helpen drukken.